Na alle een-tweetjes met corporaties en de markt is het heel goed dat de overheid en experts de burger meer regie gunnen over de eigen leefomgeving, zegt hoogleraar Joks Janssen.

Joks Janssen. Foto: Joyce van Belkom

Joks Janssen. Foto: Joyce van Belkom

‘Er komt een jonge generatie professionals aan op het gebied van erfgoed en ruimtelijke kwaliteit. Een generatie’, zegt Joks Janssen, ‘die wat ontspannener omgaat met erfgoed. Waar klassieke erfgoedzorgers, de 50plussers, vooral gespitst zijn op het behouden, rekken de jongeren het begrip erfgoed op’. Hij geeft als voorbeeld de kantoorkolos, gebouwd voor de redactie van Trouw. Een klassiek geval van ruwe en ongevoelige cityvorming uit de jaren zeventig. Net zo iets als het Maupoleum, aan dezelfde Wibautstraat in Amsterdam. Dat gebouw werd zo gehaat, dat het is gesloopt. Trouw is blijven staan en de jongeren zien er potentieel erfgoed in, niet omdat het gebouw zo bijzonder is, maar vanwege het gebruik van het gebouw, als club en centrum van creatieve industrie. Het gebruik geeft betekenis.

Het aantal aanwijzingen loopt drastisch terug. Het rijk houdt er een beetje mee op

En daarmee zitten we direct in het hart van de discussie: erfgoed, en ruimtelijke kwaliteit in het kielzog, is steeds minder gekoppeld aan het statische object met kwaliteitsstempel van experts. Het is meer en meer een kwestie van waardes die worden toegekend en dat is een dynamisch proces. ‘Je kunt het negatief framen als een wildwest, wat de gek er voor geeft, maar je kunt het ook positief benaderen als een manier om in dialoog te bepalen wat belangrijk is’, zegt Janssen. ‘De hoeders van erfgoedzorg en ruimtelijke kwaliteit moeten zich uit de luwte in het gewoel begeven’, vindt hij. ‘We hebben te veel achter ons bureau gezeten’.

Club Trouw (2009), nu herbestemd tot Student Hotel. Foto Franklin Heijnen, via Flickr

Club Trouw (2009), nu herbestemd tot Student Hotel. Foto Franklin Heijnen, via Flickr

Nieuwe rol

Joks Janssen is bijzonder hoogleraar ruimtelijke planning en cultuurhistorie aan Wageningen University en directeur BrabantKennis, een club van denkers en doeners die ruimtelijke en technologische ontwikkelingen in die provincie onderzoeken en bediscussiëren. Vorige maand presenteerde Janssen samen met Platform VOER het pamflet ‘10 suggesties voor de nieuwe rol van de erfgoedprofessional’. Suggesties die op de praktijk van de professionals in de ruimtelijke kwaliteit betrekking hebben.

Overtuigingskracht

Suggesties ook, die vooruitlopen op de nieuwe Omgevingswet, waarin de vanzelfsprekende positie van de professional in erfgoed en welstand minder comfortabel wordt. In plaats van steunen op autoriteit (regels en wetten) zullen de professionals meer op basis van overtuigingskracht (kennis inzetten) moeten opereren. Want het is aan de professionals om enige objectiviteit in processen te brengen.

Je bedient als overheid vooral de vrolijke stadmakers, als je niet oppast leidt dit tot meer ongelijkheid

Wat is van waarde en wat niet? Hoe weeg je waarden tegen elkaar af? Hoe voorkom je versplintering van waardenperspectief? Janssen: ‘Je ziet de overheid zich sowieso terugtrekken uit de erfgoedzorg. Het aantal aanwijzingen loopt drastisch terug. Het rijk houdt er een beetje mee op. De circa honderd monumenten uit de naoorlogse bouw was al veel minder dan de oogst uit de jaren1850-1940, en wat betreft de architectuur van post-1965 heeft het rijk nog steeds geen uitspraak gedaan. Gezien de enorme voorraad erfgoed die leeg staat en nog leeg komt, moet er nagedacht worden over een andere systematiek. In veel gebieden buiten de Randstad is er geen sprake meer van dynamiek, waar waardevolle objecten van gevrijwaard zouden moeten. Misschien moeten we zelfs ontzamelen.’

Niet naïef

Wat hem betreft brengt de Omgevingswet twee voordelen: de efficiencyslag die de wet biedt door regels te bundelen, en de ruimte die de wet geeft aan de burger met een plan. Met simpelweg meer ruimte bieden aan de burger is de overheid er natuurlijk niet. Allereerst duikt de vraag op aan welke burger je gelegenheid geeft. ‘Je bedient als overheid vooral de mensen met energie en kapitaal, de vrolijke stadmakers. Mensen die minder goed zijn aangehaakt komen in het gedrang. Als je niet oppast leidt dit tot meer ongelijkheid.’ Initiatiefnemers met plannen moeten in de Omgevingswet zelf contact zoeken met omwonenden en andere belanghebbenden. Zelf voor draagvlak zorgen. Maar het zou naïef zijn om te denken dat dat per definitie in grote harmonie en met fijn resultaat geschiedt.

Club Trouw, 2010. Foto: Kennisland-roundtable, via Flickr

Club Trouw, 2010. Foto: Kennisland-roundtable, via Flickr

Verplichte dialoog

Voor de overheid ziet Janssen de rol van mediator weggelegd. Gespreksleider en scheidsrechter ineen. Hij geeft als voorbeeld de inmiddels staande praktijk van het Socratische gesprek in de Peel. ‘Hier is de impact van de intensieve veehouderij op de omgeving groot. Denk aan stank, gevaar van besmettelijk ziektes, verkeersdruk en de bouw van industriële complexen in het landschap. Naast de regulering via wetten verplicht de overheid boeren met uitbreidingsplannen in dit gebied tot het aangaan van de dialoog op lokaal niveau. Zo’n gesprek dwingt boeren zich te verplaatsen in de omgeving en omgekeerd. Het is aan de overheid zo’n Socratisch proces te leiden. Er zit wel een limiet aan wat je kunt bereiken. Soms heb je toch een rijdende rechter nodig en zelfs als je wel een heel eind komt, blijft de optelsom van alle boeren, alle dieren en alle uitstoot de bottleneck.’ Janssen haalt landschapsexpert Eric Luiten aan: ‘Ruimtelijke ordening is geen permanente boomfeestdag‘, een dagje aan het landschap werken is leuk, maar er moeten ook geulen gegraven worden.

Stip aan horizon

Niettemin zijn het erfgoed en de ruimtelijke kwaliteit wel toe aan een resocialisatie; na alle een-tweetjes met corporaties en met de markt is het heel goed dat de burgers meer ruimte krijgen, vindt Janssen. ‘Onmisbaar daarbij is, dat de overheid aangeeft welke richting ingeslagen wordt. Het is een kwestie van drager en inbouw. De overheid zorgt voor de drager, de constructie. De burger kan vervolgens de inbouw ter hand nemen. Maar ook de burger die volop participeert wil weten wat de stip aan de horizon is. De overheid is handelingsverlegen geweest terwijl de burger snakt naar handelingsperspectief.’

 

Joks Janssen is hoogleraar ruimtelijke planning en cultuurhistorie aan Wageningen University en directeur van het kennisplatform BrabantKennis. Hij publiceert met enige regelmaat over nieuwe ontwikkelingen in de erfgoedzorg. In november presenteerde hij i.s.m. Platform VOER het pamflet met 10 suggesties voor de nieuwe rol van de erfgoedprofessional.

Bovenstaand interview schreef Marijke Bovens in opdracht van de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit.