Een paar jaar geleden stond ik in de verlaten Amsterdamse Centrale Markthal uit 1932. Voor een krant schreef ik over de tuindersbootjes die vanuit de Haarlemmermeer groente en fruit aanvoerden en in drive in-stijl onder de veilingklok tot stilstand kwamen. Het was indrukwekkend om daar te staan, in die grote lege hal met kapotte muren en dat verwaarloosde dak. De bedrijvigheid van de bootjes had plaatsgemaakt voor het gefladder van duiven, die door de gaten in en uit vlogen. Maar de voetstappen van de laatste marktkoopmannen en boeren leken nog in het stof te staan; hun adem hing er nog, ergens. Ik was graag door het gebouw op strooptocht gegaan. Misschien slingerden ergens in een achterkamertje nog vergeelde veilingregisters, een kapot brilletje of een paar groene rubberlaarzen.

Gerestaureerde panden zijn die magie kwijt. In ruil daarvoor krijg je een enkeltje met de teletijdmachine van professor Barabas naar het moment van oplevering. We zien hoe fris en fruitig het pand er destijds uitgezien moet hebben, schoon en smetteloos als nieuwbouw. Neem het Rijksmuseum. Indrukwekkend gerestaureerd, maar de vergeelde kranten op zolder en de muurtekening die de dochter van de eerste directeur in het geniep met vetkrijt op de souterrainmuur maakte, zijn voorgoed verdwenen.

Waarom zwijmel ik zo weg bij oude gebouwen met spinrag op de ramen, gaten in de gevels en verstofte interieurs? Het is de Romantiek die zijn tentakels naar deze eeuw uitslaat, die stijlperiode in de kunst waarin kasteelruïnes en woeste landschappen mensen de oprukkende verstedelijking en industrialisatie moesten doen vergeten. Ook nu is verval op z’n mooist bij gebouwen die een voorbije wereld oproepen: baksteenfabrieken, meisjesscholen uit de jaren dertig, post-, telefoon- en telegrafiegebouwen, koepelgevangenissen. Ze stemmen weemoedig en bevestigen dat onze wereld onomkeerbaar verandert. De fotoreportages van leegstand in oude industriegebieden, treffend aangeduid als ruinporn, schroeven dat sentiment op tot het maximum. We zuchten gelukzalig bij het zien van die trotse werkpaleizen die nu zijn verschrompeld tot puinhopen; alles is ijdelheid.

Toch vraag ik me wel eens bezorgd af hoe onze moderne kantoorkolossen er over vijftig of honderd jaar zullen uitzien. Zijn ze met hun waterafstotende, gepantserde gevels wel in staat om een behoorlijk patina van stof en roest op te doen? De gemiddelde kantoortuin lijkt me een tikkie saai om straks als gebouwenarcheoloog te ontdekken. Maar er zijn uitzonderingen. Het spectaculaire atrium van het ING-hoofdkantoor aan de Amsterdamse Zuid-As bijvoorbeeld zal met z’n metershoge bomen na jaren leegstand best dramatisch ogen. Je ziet de uit de hand gelopen onkruidjungle al voor je. Dat geldt ook voor die andere hippe lounge-interieurs die de zegeningen van het Nieuwe Werken symboliseren. Tegen de tijd dat we meewarig terugkijken op de aandoenlijke hoogdravendheid van toen, zullen ook de glazen gevels dof uitslaan. Het maakt waarschijnlijk al een hoop verschil als niemand de ramen meer schoonmaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Annette WiesmanAnnette Wiesman (1969) is zelfstandig journalist. Ze schrijft o.a. voor Trouw, Vrij Nederland, Elsevier Juist en het Financieele Dagblad. In 2013 publiceerde ze met Koos Havelaar bij NAi/010 Uitgevers het boek Herbestemming van postkantoren. Een nieuw leven voor de burchten van de post. Voor VOER schrijft ze elke zes weken een column over oude gebouwen en wat ze in ons losmaken. Annette Wiesman op twitter: @annettewiesman